1.   Samenvatting

Nu de berghouten zijn geplaatst en gebeitst, is de positie van de spanten van oprichting gefixeerd en heeft het geheel van de romp meer stevigheid gekregen, zodat vervolgens de spanten van aanvulling geplaatst kunnen worden. Uit afbeeldingen in de artikelreeks van Kees Dik blijkt echter, dat hij voorafgaand aan het plaatsen van de spanten van aanvulling eerst de zandstroken heeft aangebracht. Deze aanpak is bij de bouw van het model, zoals op deze website beschreven, dan ook gevolgd.
Alvorens de spanten van aanvulling te plaatsen is er een goede gelegenheid aan de binnenkant van de spanten de positie van dekken en geschutpoorten te markeren.

2.   Zandstroken plaatsen

2.1   Achtergrond

De onderste huidgangen , die in de sponde van de kiel en tegen de stevens worden geplaatst, worden zandstroken genoemd. Het is niet duidelijk hoe veel huidgangen tot de zandstroken worden gerekend. Onder andere in afbeelding 65 in de artikelreeks van Kees Dik [DM juni 1983, blz. 312] zijn twee zandstroken te ontwaren. Ook de rompdoorsnede op de tekening ‘Constructie van het hoofdspant’ van Otte Blom toont zeer concreet een 1 e en 2 e zandstrook .
Bij de bouw van het model, zoals op deze website beschreven, is er voor gekozen de drie onderste huidgangen te plaatsen. De reden hiervoor is dat vooral deze drie huidgangen sterk getordeerd moeten worden. Dat vraagt om een goede klemming bij het lijmen, wat beter gerealiseerd kan worden wanneer de spanten van aanvulling nog niet zijn geplaatst. Als eikenhout in lauwwarm water is geweekt, laat het zich makkelijk buigen en torderen. Dat is de aanleiding om voor de huidgangen onder de waterlijn eikenhouten latjes te gebruiken. Dit wordt ook in het boek van Kees Dik [BZP blz. 196, paragraaf 9.3] aangeraden voor het onderwaterschip, omdat dit uiteindelijk in een gelig wit wordt geschilderd, waardoor het eikenhout niet meer zichtbaar is. Kees Dik kwalificeert eikenhout als ‘taai en buigzaam’ en dat is natuurlijk belangrijk.

2.2   Uitvoering

De zandstroken zijn verdeeld in drie ongeveer gelijke delen, waarbij er op gelet moet worden dat de tegen elkaar liggende uiteinden op een spant komen te liggen. Ook moet er voor gezorgd worden dat de uiteinden van de betrokken huidgangen steeds op een andere spant komen te liggen. Eerst worden het achterste deel van de zandstrook aan de kant van de achtersteven en het voorste deel aan de kant de boeg geplaatst. Daarna wordt het middelste deel daartussen gepast. De delen van de zandstrook bij de achtersteven en de boeg worden in lauwwarm water geweekt, dan met de hand getordeerd en gebogen en vervolgens, nadat er in de sponning en op de spanten houtlijm is aangebracht, in de sponning van de kiel gelegd en met lijmklemmen vastgezet. Daarna wordt het middendeel ingepast. Bij de voor- en achtersteven worden stukjes afvalhout of ander materiaal gebruikt om ervoor te zorgen dat de huidgangen stevig worden geklemd (beeld linksonder).
plaatsen eerste zandstrook inpassen van de huidgangen

2.3   Inpassen zandstroken bij achtersteven

De zandstroken – de onderste twee huidgangen – bij de achtersteven torderen bijna 90 graden en zijn dan ook nog in de lengterichting gebogen. Dat geldt in mindere mate voor de daarboven liggende huidgang , die eveneens in dit stadium wordt aangebracht. De tekeningen van Kees Dik en Otte Blom laten zien dat beide zandstroken het versmalde deel van de achtersteven geheel opvullen. Bij de bouw van het model was dat niet zo. De hoogte van het versmalde deel van de achtersteven die Kees Dik in zijn tekeningen aangeeft is 14,5 mm. De eikenhouten latjes die zijn aangeschaft voor het bekleden van de romp zijn 6 mm breed.
Daarom is er voor gekozen de bovenste zandstrook op het verdikte deel van de achtersteven aan te sluiten en op de kortst mogelijke afstand van de achtersteven tegen de onderste zandstrook te leggen.
Hierdoor ontstaat een smalle spleet, die met een stukje spits toelopend eikenhout is opgevuld. In het beeld rechtsboven zijn de naden tussen de huidgangen met blauwe lijnen geaccentueerd. De extra huidgang , die boven de bovenste zandstrook is aangebracht sluit grotendeels aan op deze zandstrook . Vlakbij de achtersteven bleek dit niet mogelijk zonder scheuren in het eikenhouten latje te veroorzaken. Deze huidgang is aan de zijde van de achtersteven zo laag mogelijk bevestigd. Ook hier is de spleet die daardoor ontstond met spits toelopend eikenhout opgevuld (beeld rechtsboven).

2.4   Anbrengen zandstroken bij voorsteven

aanbrengen zandstroken bij de voorsteven Het aanbrengen van de zandstroken bij de voorsteven is eenvoudiger (beeld rechts).
Deze zijn minder getordeerd. Natuurlijk is het van belang dat deze zandstroken goed in de sponning van de voorsteven komen te liggen. Hier en daar bleek het nodig de spanning iets dieper te maken en soms ook iets breder te maken. Om naden tussen de zandstroken te vermijden zijn de zijkanten van de huidgangen ook op elkaar gelijmd en goed tegen elkaar geklemd tijdens het drogen van de lijm.

3.   Positie van de geschutpoorten

Bij het plaatsen van de spanten van oprichting is rekening gehouden met de horizontale positie van de geschutpoorten, zoals beschreven in paragraaf 4.6 van hoofdstuk Ⅱ .
Bij het plaatsen van de spanten van aanvulling moet rekening worden gehouden met de verticale positie van de geschutpoorten. Kees Dik heeft dat gedaan door de positie van de dekken te markeren op het triplex profiel dat bij zijn werkwijze deel uitmaakt van de constructie van spanten [BZP blz. 171, afb. 580] . De onderzijde van een geschutpoort ligt op een vaste afstand het dek waarop het geschut staat. Op modelschaal is dat 7,3 millimeter boven de overloop, 5,8 millimeter boven het verdek en 3,9 millimeter boven het halfdek. Die afmetingen hangen samen met het kaliber van het geschut [BZP blz. 46, tabel Ⅲ] .
Van het gebruik van een dergelijk triplex profiel is bij de hier gevolgde werkwijze afgezien. Daarom is een andere methode nodig voor het markeren van de positie van dekken en geschutpoorten.

3.1   Afteken instrument

instrument voor het aftekenen van hoogten In deze fase van de bouw van het model gaat het om de spanten van aanvulling , die zich onder de geschutpoorten bevinden. Om te beginnen met de geschutpoorten van de overloop en naderhand de geschutpoorten van het verdek en het halfdek.
Aanvankelijk is er vanuit gegaan, dat onderzijde van de geschutpoorten met een papieren mal wordt afgetekend, naar analogie van het aftekenen van de berghouten zoals beschreven in paragraaf 3.7 van de voorgaande pagina .
Al snel bleek, dat het resultaat vanwege de gebogen vorm van de spanten te onnauwkeurig zou zijn. Daarom is voor het aftekenen van hoogten een instrument samengesteld, dat bestaat uit een buret-statief waarin een in hoogte verstelbaar vierkant profiel wordt geklemd. Met behulp van een blokhaak wordt de gewenste hoogte ingesteld (beeld links). Het is geschikt om zowel aan de binnen- als aan de buitenkant van het schip hoogten af te tekenen.

3.2   Welke tekening is leidend?

Bij het bepalen van de hoogte van de onderzijde (ook wel ‘drempel’ genoemd) van de geschutpoorten ten opzichte van waterlijn 0 is gebleken dat er een klein, maar niet onbelangrijk verschil is tussen de tekeningen van Kees Dik. doorsnede geschutpoort
De tekening van de langsdoorsnede van het schip kijkt als het ware van binnen naar buiten en toont dus de dagmaat van de geschutpoorten.
De tekening van het zijaanzicht van het schip toont de poortdeksels; dus de sponningmaat van de geschutpoorten. Zo is bij spant nummer 40 op de 93,8 vt ordinaat de afstand van waterlijn 0 tot de onderzijde van de poort 81 millimeter in de langsdoorsnede (dagmaat) en 82 millimeter in het zijaanzicht (sponningmaat). Dit zou juist andersom moeten zijn en vraagt om een keuze welke tekening als uitgangspunt wordt genomen.
Omdat de tekening van het zijaanzicht is gebruikt voor het bepalen van de positie van de berghouten , wordt deze ook als uitgangspunt genomen voor het bepalen van de hoogte van de onderzijde van de sponning van de geschutpoorten ten opzichte van waterlijn 0. Kees Dik suggereert een sponning van 0,5 millimeter op modelschaal [BZP blz. 46, paragraaf 2.16] .

3.3   Hoogte onderzijde geschutpoorten

Bij de bouw van het model zijn de spanten van aanvulling onder een geschutpoort afgetopt op de hoogte van de onderzijde van het poortdeksel. Dat is de hoogte ten opzichte van waterlijn 0 van de sponning aan de onderzijde van geschutpoort . De sponning aan de onderzijde komt tot stand door de bovenzijde van de desbetreffende spanten te bedekken met een perenhouten latje van een 0,5 millimeter dik, zoals het beeld hierboven toont. Dit wijkt af van de oorspronkelijke werkwijze, waarbij er een horizontaal balkje (ruim 80 centimeter tot ruim 1 meter, afhankelijk van de breedte van de geschutpoort ) werd ingelaten op de spanten die de zijkanten van de geschutpoort vormen. Het optische resultaat blijft hetzelfde. Aan de binnenzijde van het schip ligt een zwaardere plank, de zogeheten ‘ weger op de watergang ’, door Otte Blom ook wel ‘ schoeweger ’ genoemd. De bovenkant van de schoeweger ligt op dezelfde hoogte als het latje dat de bovenzijde van de spanten van aanvulling bedekt.
De maten in de onderstaande tabel zijn aan de hand van de tekening van het zijaanzicht opgemeten (beeld onder).
hoogten onderzijde geschutpoorten
De poorten in de bovenstaande tabel zijn vanaf de achterzijde van het schip oplopend genummerd. De uiteindelijke horizontale positie van de geschutpoorten ten opzichte van de 0 vt ordinaat moet worden afgestemd op de afwijkingen die in de tabel in paragraaf 4.6 van hoofdstuk Ⅱ worden vermeld.
Vanzelfsprekend moet er bij de positiebepaling van de geschutpoorten ook rekening worden gehouden met de indeling van de binnenzijde van het schip en onderdelen aan de buitenzijde zoals de rusten voor het want.